Tot grote ontsteltenis van de bemanning van de radiopost liet de doorstoot van de geallieerden heel lang op zich wachten. Met lede ogen zagen ze aan dat met de dag de situatie in de Vloeiweide gevaarlijker werd. In het gebied wemelde het van Duitse soldaten die voor de geallieerden op de vlucht waren geslagen en vanuit België aan een wanordelijke terugtocht waren begonnen. In kleine groepjes trokken de Duitsers door het gebied rondom de radiopost. Als gevolg van de Duitse terugtocht gingen leden van de Feldgendarmerie in het gebied patrouilleren. Ze spraken de vluchtende Duitse soldaten aan en ze probeerden ze met strakke hand op andere gedachten te brengen. Chauffeurs van het Nationalsozialistisches Kraftfahrkorps (NSKK) werden in het gebied van de Vloeiweide gesignaleerd. Ze bezochten de boeren in de omgeving om de Duitse troepen die in Breda waren gelegerd te bevoorraden. De NSKK chauffeurs werkten bij de Ortskommandantur van de Wehrmacht in Breda. Het waren Nederlanders afkomstig van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) en de Weerbaarheidsafdeling (WA). Het was een groep van ongeveer dertig man. Ze waren hoofdzakelijk belast met chauffeursdiensten. De meeste kwamen uit Breda en omgeving en waren in de regio dus ook in het gebied rondom Rijsbergen goed bekend. De leden van de bewakingsgroep van de radiopost constateerden bij de boeren in de omgeving een toename van onderduikers. De onderduikers waren meestal burgers uit Breda of uit de omgeving van Rijsbergen die hun huis in het schootsveld van de geallieerde oprukkende troepen hadden staan. Bij de leden van de bewakingsgroep was men ervan overtuigd dat, als deze tendens zich voortzette, men er redelijkerwijs van uit kon gaan dat de aanwezigheid van de radiopost, bij de mensen in de omgeving, niet onopgemerkt zou blijven.
De ontwikkelingen aan het geallieerde front
Op 16 september 1944 rukten de Poolse troepen op. Voor de eerste maal vochten ze op Nederlands grondgebied. Ze bevrijdden de eerste Nederlandse steden: Axel (plaats), Hulst (Nederland) en Terneuzen (stad). Als onderdeel van de 21e Britse Legergroep voerden ze vervolgens zuiveringsacties uit langs de Westerschelde. Na een strijd van vijf dagen keerden ze terug naar hun uitgangspunt in de buurt van Gent. Op 17 september 1944 startte Generaal Bernard Montgomery Operatie Market Garden. Met het inzetten van luchtlandingstroepen in de omgeving van Arnhem wilde Montgommery een bruggenhoofd creëren om vandaar uit de vijand te bestrijden. De Engelse legerleiding negeerde de inlichtingen van het Nederlandse verzet. Deze inlichtingen betroffen de informatie over de aanwezigheid van Duitse gevechtseenheden in de omgeving van het luchtlandinggebied. Mede door deze verkeerde inschatting draaide de Operatie Market Garden op een mislukking uit. Op 19 september 1944 was de bevrijding van Eindhoven een feit. Het Bureau Inlichtingen werd gesplitst. Een deel van de staf bleef in Londen, het andere deel werd verplaatst naar Eindhoven en nam zijn intrek in het Van Abbemuseum. Zodoende werden de contacten met Prins Bernhard, het Militair Gezag en de staf van de landelijke OD geïntensiveerd.
De inschattingsfout van het Geallieerde Opperbevel
De ontnuchtering voor de verzetsstrijders in de Vloeiweide kwam snel. De opmars van de geallieerden stokte, want het Geallieerde Opperbevel had zich op de situatie verkeken. Het Geallieerde Opperbevel had een inschattingsfout gemaakt en daar was de Nederlandse regering in Londen, de landelijke leiding van de OD in Amsterdam en de Gewestelijke commandant in Breda niet van op de hoogte. Na de doorbraak in Normandië, eind juli 1944, hadden de geallieerden de Duitse legers voor zich uitgejaagd. Op een gegeven moment leek het einde van de oorlog zeer nabij. Bij het Geallieerde Opperbevel meende men dat de Duitsers aan het einde van hun krachten waren. Maar het tegendeel was waar. Juist de geallieerde legers leden aan ademnood. Door de snelle en succesvolle opmars door België waren de aanvoerlijnen van de geallieerde troepen te lang geworden. Toen de geallieerden de Nederlandse grens naderden was de snelheid uit de zegevierende opmars verdwenen en kwam de opmars van de geallieerden tot stilstand. Het Duitse leger was in staat tot het voeren van het verdedigende gevecht en als gevolg hiervan waren de geallieerden niet in staat om de Haven van Antwerpen te bereiken. Door deze tegenvaller moest de bevoorrading van de voorste eenheden van het geallieerde front nog altijd plaatsvinden vanuit de geïmproviseerde havens aan de Franse kust. De geallieerde troepen konden niet anders dan het veroverde terrein te consolideren. Ze trokken zich daarom terug tot aan Merksem bij Antwerpen (stad). Vandaar uit bereidden ze zich voor op een grote gecoördineerde aanval op de Duitse stellingen bij de Maas en het Hollands Diep (water). De Duitsers daarentegen zagen kans om hun uiteengeslagen eenheden te hergroeperen en langs het Albertkanaal in België een verdedigingslinie op te bouwen. Zo verschaften de Duitsers zich een adempauze. De Duitsers wilden tot elke prijs de toegang tot de Haven van Antwerpen en daarmee ook de weg naar West-Brabant onder controle houden.
De bewakingsgroep ten behoeve van het afwerpterrein
Ten behoeve van de bewakingsgroep van het afwerpterrein meldden zich die middag zeven mannen. Hendrikus van der Sande (23 jaar), afkomstig uit Breda, Marinus van den Boogaard (22 jaar), afkomstig uit Steenbergen, Jacobus van den Boogaard (23 jaar), afkomstig uit Steenbergen, Johannes Bakker (23 jaar) afkomstig uit Breda, Adrianus v.d.Heuvel (34 jaar), afkomstig uit Breda, Hendrikus Hofman (21 jaar), afkomstig uit Breda en Hendricus Brautigam (49 jaar) afkomstig uit Amsterdam. Brautigam was stuurman van de grote vaart. Hij verbleef in Breda als tijdelijk inspecteur van de Centrale Distributiedienst. Brautigam werd de informele leider van de bewakingsgroep. De vier onderduikers Jan Nelissen, Kees Buuron, Sjoerd Bernaards en Jan Juten sloten zich bij de bewakingsploeg aan. De totale sterkte van de ploeg kwam daardoor op elf man. De totale sterkte van de beide groepen bedroeg zestien man. Windhausen en Touw verbleven in de boswachterswoning. Buuron, Bernaards en Juten verbleven op hun onderduikadres en de andere mannen sliepen in de schuur op het terrein van Neefs. De leden van de bewakingsgroep kregen de opdracht om ’s nachts, indien nodig, het afwerpterrein te bemannen. Daarnaast hadden ze de taak om patrouilles te lopen in de omgeving van de radiopost en in het gebied tot aan de Belgische grens verkenningen uit te voeren om inlichtingen in te winnen over de Duitse stellingen en troepenbewegingen. De bewapening van de leden van de bewakingsgroep bestond uit een minimale voorraad wapens. Ze hadden de beschikking over een aantal pistolen, een paar geweren en een paar handgranaten. Alles bij elkaar was het te weinig om zich in een noodsituatie te kunnen verweren.
De radiopost in de Vloeiweide
In de namiddag van maandag 4 september 1944 verzamelden de leden van de radiopost zich in het huis van boswachter Neefs. De commandant en code-officier van de radiopost was Paul Windhausen (41 jaar), afkomstig uit Breda. De drie marconisten die naar de woning van Neefs waren gedirigeerd waren Johan Oberg (37 jaar), afkomstig uit Wassenaar. Hij was in Breda en omgeving werkzaam als tijdelijk inspecteur van de Centrale Distributiedienst. Johannes de Vries (26 jaar). afkomstig uit Breda. Hij was radiotechnicus en tevens zendamateur. Franciscus de Visser (33 jaar), afkomstig uit Breda. De onderduiker Henk Touw die in de woning aanwezig was sloot zich bij de groep aan en de bemanning van de radiopost was compleet. De marconisten hadden de beschikking over drie radiozendontvangers. De marconisten kregen van Paul Windhausen de opdracht om een zender te installeren en radiocontact te leggen met de andere OD-radioposten in andere delen van het land. Op het Gewestelijk Hoofdkwartier in Breda ging men ervan uit dat de doorbraak van de geallieerden eerder een kwestie van uren dan van dagen was. Men ging ervan uit dat de radiopost hooguit een à twee nachten in het boswachtershuis zou verblijven en dat vervolgens de bevrijding een feit zou zijn.
De situatie in de Vloeiweide
Neefs was als boswachter in dienst bij mevrouw Bouman-Vlekke, de eigenaresse van het landgoed Vloeiweide. Zijn woning stond op een afstand van ongeveer vijfhonderd meter van haar villa. Het gezin van Neefs bestond uit man, vrouw en acht kinderen. Onder de kinderen waren vier meisjes en vier jongens. De oudste van de kinderen was achttien jaar en de jongste vier jaar. In de woning had Neefs twee onderduikers ondergebracht. Henk Touw (31 jaar) was afkomstig uit Breda en Jan Nelissen (31 jaar) was afkomstig uit Oss. Henk Touw was een ervaren zendamateur. Hij was lid van de vereniging voor Zendamateurs in het Zuiden van het land. Voor en tijdens de oorlog had hij zich beziggehouden met het bezoeken van collega zendamateurs elders in het land. Tijdens zijn bezoeken had hij zijn collega’s van onderdelen voor hun radioapparatuur voorzien. Touw woonde aan de Haagweg in Breda. Toen de Duitse Abwehr achter hem aan zat, had hij besloten om onder te duiken. Touw had als timmerman van tijd tot tijd op de villa van het landgoed Vloeiweide gewerkt en zodoende had hij boswachter Neefs leren kennen. Na verloop van tijd had hij het plan opgevat om zijn radiozendontvanger op zijn onderduikadres te installeren. Neefs was daarmee akkoord gegaan. Nelissen had in de bezettingstijd een paar jaar als paardenverzorger op het landgoed gewerkt. Toen er in 1944 niet veel paarden meer te verzorgen waren werkte hij op het land en verbleef hij als onderduiker in huize Neefs. In het afgelegen gebied in de Vloeiwede zaten meerdere mensen ondergedoken. Op het tuindersbedrijf van Jos Van Aert zaten vanaf eind augustus 1944 Kees Buuron en Jan Juten, beiden uit Bergen op Zoom en Sjoerd Bernaards, uit West Terschelling, ondergedoken. Het tuindersbedrijf aan de raamschoorseweg was gelegen op een afstand van circa honderd meter van de woning van Neefs.
Het inrichten van de radiopost in de Vloeiweide
In Breda was het geluid van het geallieerde geschut goed hoorbaar. Op het Gewestelijk Hoofdkwartier van het Gewest 16 in Breda kwam het gerucht binnen dat de geallieerden reeds in Wuustwezel, op nauwelijks twintig kilometer afstand van Breda, in de rug van het vluchtende Duitse leger waren gesignaleerd. Gezien de ontwikkelingen aan het geallieerde front en de informatie die de Nederlandse regering in Londen via de radiozender Radio Oranje verspreidde en de opdrachten die door het landelijk Hoofdkwartier van de OD in Amsterdam werden verstrekt was de bevrijding van Nederland eerder een kwestie van uren dan van dagen. De kleine groepjes Duitse soldaten die aan de Nederlandse grens werden gesignaleerd en die vanuit België de grens overstaken duidden er op dat de Duitsers op de vlucht waren geslagen en aan de terugtocht waren begonnen. Op grond van deze berichten vond de Gewestelijk commandant drs. A. van der Poel, dat de tijd was aangebroken om tot handelen over te gaan. Hij gaf aan Paul Windhausen de commandant van de Radiogroep opdracht om zich met zijn groep te verplaatsen naar de Vloeiweide, nabij Rijsbergen om aldaar op een vooraf verkende en afgesproken plaats een radiopost in te richten. Voor de locatie van de radiopost was gekozen voor het huis van boswachter Neefs. Het huis stond afgelegen in een dun bevolkt gebied. Daarnaast diende Windhausen met een groep bewakers een afwerpterrein in te richten om wapens en materieel te kunnen ontvangen dat door het Bureau Bijzondere Opdrachten boven bezet gebied zou worden geparachuteerd.
Dolle Dinsdag
Op dinsdag 5 september 1944 ontstond in Nederland grote opwinding. Voor Radio Oranje gaf minister-president Pieter Sjoerds Gerbrandy (1885-1961) de indruk dat de bevrijding van Nederland slechts een kwestie van uren kon zijn. Voortdurend zond Londen radioberichten uit waarin verzetslieden met nadruk werd meegedeeld vooral de aanwijzingen van hun commandanten te volgen en niet op eigen initiatief aan de slag te gaan. Deze aanwijzingen versterkten het gevoel dat het moment van handelen was aangebroken. Leden van de Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland (NSB) en hun gezinnen pakten haastig hun biezen. Uit het westen van Nederland vertrokken bijna veertig extra treinen in oostelijke richting. De treinen waren volgepakt met leden van de NSB en hun gezinnen. In deze overwinningsroes ontstonden gevaarlijke situaties, omdat op diverse plaatsen het verzet bovengronds kwam en sommige onderduikers zich openlijk op straat vertoonden. Deze dag werd later Dolle Dinsdag genoemd.
In Rotterdam verkondigde de draadomroep dat Rotterdam was bevrijd. Bij het Hoofdkwartier van de RVV in Rotterdam reden motorordonnansen aan en af. Op een andere plaats in Rotterdam bezochten veel leden van de LKP te voet of per fiets het Hoofdkwartier van de Landelijke Knokploegen. Het Hoofdkwartier van de Ordedienst, in de Amsterdamse Koepelkerk, werd die dag door ruim zeventig personen bezocht. In de Gereformeerde kerk aan de Keizersgracht in Amsterdam werden de leden van de knokploegen van die stad geconcentreerd. Hier en daar ging men over tot de arrestatie van NSB’ers. In Breda vertaalde de euforie van de komende bevrijding zich door Duitse troepenverplaatsingen. Duitse eenheden die met het oog op de geallieerde doorstoot niet meer in Breda benodigd waren kregen opdracht de stad te verlaten om elders hun positie in te gaan nemen. Drs. A.van der Poel, de Gewestelijk commandant van het Gewest 16 mobiliseerde zijn Staf en hij begon op het Hoofdkwartier in Breda de maatregelen te treffen die jhr. Pieter Jacob Six, de leider van de landelijke OD, had voorgeschreven. Vanuit het Hoofdkwartier in Amsterdam waren inmiddels voor iedere Gewestelijke commandant twee opdrachten uitgegaan. Om de onderlinge verbindingen te waarborgen kregen de commandanten de opdracht om voordat de geallieerden hun Gewest bereikten in het buitengebied van hun Gewest niet te ver van het hoofdkwartier radioposten in te richten. Daarnaast diende er een afwerpterrein te worden ingericht zodat wapens en materieel dat door het Bureau Bijzondere Opdrachten vanuit Engeland boven bezet Nederland werd afgeworpen kon worden ontvangen.
De algemene oorlogstoestand
De overval op de radiopost in de Vloeiweide kan niet los worden gezien van de ontwikkelingen die zich op dat moment op het militaire oorlogstoneel afspeelden. Juist de ontwikkelingen op het hoogste legerniveau waren indirect van grote invloed op het drama dat zich in de vroege morgen van 4 oktober 1944 heeft voltrokken.
Op 3 september 1944 bereikte een tankspits, van het Britse 2e Leger, Brussel (stad). Op dezelfde dag zond Radio Oranje namens Koningin Wilhelmina der Nederlanden de mededeling uit dat Hare Majesteit de Koningin haar schoonzoon Prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld had benoemd tot Bevelhebber der Nederlandse Strijdkrachten en dat Prins Bernhard, onder het bevel van generaal Dwight D. Eisenhower de leiding van het gewapend verzet op zich had genomen. Op het moment dat Prins Bernhard tot Bevelhebber werd benoemd had het gewapend verzet in Nederland vrijwel niets te betekenen. De drie geheime organisaties OD, RVV en LKP, die voor het bieden van het verzet, hetgeen de sabotage insloot, in aanmerking kwamen hadden nagenoeg geen wapens en geen sabotagemiddelen. Daarnaast was de RVV pas op 1 september 1944 door het Bureau Bijzondere Opdrachten (BBO) erkend als ontvanger en distributeur van alle boven het bezet gebied af te werpen wapens en sabotagemiddelen.
Op 4 september 1944 stootte de Britse 11e Tankdivisie door naar de Scheldemonding bij Antwerpen (stad). Een tankspits van het Amerikaanse 1e Leger zette via de route: Metz, Aken (stad), de aanval in op het Ruhrgebied. Generaal Bernard Montgomery bereikte met een Leger bestaande uit: Engelsen, Canadezen, Polen, Belgen en de Nederlandse Prinses Irene Brigade, via Vlaanderen de Nederlandse grens.
De Radiodienst van de Ordedienst
De Ordedienst had de beschikking over een binnenlands netwerk van radiozenders. Vanuit het Algemeen Hoofdkwartier in Amsterdam had de OD een eigen radioverbinding met de negentien Gewestelijke commandanten. In elk gewest van de OD was door de radiotechnicus Jan Thijssen, het hoofd van de Radiodienst van de OD, een radiogroep opgebouwd. De radiogroepen bestonden uit een kring van drie tot vijf radiozendontvangers. Aan deze radiogroepen waren code-officieren verbonden. Elke radiogroep had eigen marconisten. De marconisten kwamen uit de scheepvaart of waren afkomstig van de KLM. Thijssen en zijn medewerkers reisden het land af om medewerkers voor de Radiodienst te werven. Ze leidden de medewerkers op en ze voorzagen de radiogroepen van radioapparatuur en radio-onderdelen. Alle medewerkers die bij de Radiodienst waren aangesloten hadden een gezamenlijke interesse. Ze hadden beroepsmatig of als hobby kennis van de radiotechniek. Er waren radioseinposten in Amsterdam, Hilversum, Apeldoorn, Utrecht (stad), Den Haag, ‘s-Hertogenbosch, Venlo, Nijmegen, Arnhem, Groningen (stad), Leeuwarden en Breda.
Toen in medio 1943, na maanden van hard werken, het binnenlandse zendernet gereed was voor gebruik ontstond er tussen jhr. Pieter Jacob Six en Jan Thijssen een verschil van mening over het gebruik en de inzet van het verbindingsnet. Thijssen wilde het zendernet gelijk in gebruik nemen. Ook wilde hij de faciliteiten van de Radiodienst ter beschikking stellen van alle verzetsorganisaties met inbegrip van de OD. Six wilde het gebruik van het binnenlands zendernet uitstellen tot aan het moment dat Nederland bevrijd was en de Duitse aftocht een feit was. Volgens de visie van Six zou het zendernet moeten fungeren als een back-up verbindingssysteem. Het verbindingssysteem zou pas in gebruik worden genomen op het moment dat de Duitsers de telefoon- en telegrafieverbindingen tussen de grote bevolkingscentra zouden vernielen. Een scherp conflict was het gevolg. Het conflict escaleerde. De bevelsbevoegdheid over de radiogroepen werd door Six gedelegeerd naar de Gewestelijke commandanten en Thijssen werd als hoofd van de Radiodienst ontslagen. Op 31 december 1943 werd Thijssen wegens eigengereid optreden uit de OD gezet. Na zijn ontslag bij de OD bouwde Jan Thijssen ten behoeve van Raad van Verzet in korte tijd een nieuwe Radiodienst op. De Radiodienst van de Raad van Verzet werd in de zomer van 1944 operationeel en bleef in bedrijf tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog.